Met de hulp van e-Legal, Ilonca Mos-Bolier, hebben we het optimale resultaat wat in dit dossier mogelijk was kunnen behalen. Snelle opvolging en duidelijke communicatie.
Interne bestuurdersaansprakelijkheid: wat is het en hoe werkt het?
Een bestuurder krijgt vertrouwen. Vertrouwen om besluiten te nemen, risico’s te wegen en de koers van een rechtspersoon, zoals een B.V., stichting of vereniging te bepalen. Maar dat vertrouwen is geen vrijbrief.
Wanneer een bestuurder zijn taak onbehoorlijk vervult en de rechtspersoon daardoor schade lijdt, kan de bestuurder persoonlijk aansprakelijk zijn tegenover de rechtspersoon. Dat wordt interne bestuurdersaansprakelijkheid genoemd.
De kernvraag is steeds: heeft de bestuurder gehandeld zoals van een redelijk en zorgvuldig bestuurder mocht worden verwacht? Of is de grens overschreden en treft hem een ernstig verwijt?
Op deze pagina wordt uitgelegd wat interne bestuurdersaansprakelijkheid is en hoe dit werkt.
Inhoudsopgave interne bestuurdersaansprakelijkheid
- ...
- ...
Direct hulp nodig bij interne bestuurdersaansprakelijkheid? Bel ons voor gratis advies!
Hebt u direct hulp nodig bij interne bestuurdersaansprakelijkheid? Bel ons voor gratis advies op 010 - 820 028 4

Direct een vraag stellen over interne bestuurdersaansprakelijkheid? Bel ons voor gratis advies!
Bel ons gerust als u wilt sparren met een gespecialiseerde advocaat bestuurdersaansprakelijkheid. Dan kunnen wij samen de beste aanpak van uw zaak bespreken.
- Direct doorverbonden met een gespecialiseerde advocaat
- Samen sparren over uw zaak
- Vrijblijvend juridisch advies over de beste aanpak
- Op werkdagen van 09:00 - 17:30 uur (lokaal tarief)
- Gratis voor bedrijven en particulieren*
Bel ons op 010 - 820 028 4
Of laat ons u vrijblijvend terugbellen door hieronder uw contactgegevens in te vullen. Dan bellen wij u zodra het u uitkomt. Dit is praktisch als u contact wilt opnemen buiten onze openingstijden.
* Wij werken niet op toevoegingsbasis. Particulieren die op zoek zijn naar een pro deo advocaat verwijzen wij graag naar het Juridisch Loket of de Raad voor Rechtsbijstand
Advocaat interne bestuurdersaansprakelijkheid inschakelen? Eerst even vergelijken!
In onderstaand overzicht kunt u precies zien welke verschillen er bestaan tussen ons advocatenkantoor en andere ondernemingsrecht advocaten. Zo ziet u direct bij wie uw zaak in de beste handen is.
e-Legal |
Andere ondernemingsrecht advocaten |
|
|---|---|---|
Gespecialiseerd in ondernemingsrecht |
||
Als beste beoordeeld |
||
Gratis ondernemingsrecht advies (30 minuten) |
||
Landelijke dekking |
||
Ook gespecialiseerd in procederen (litigation) |
||
Ook gespecialiseerd in incasso |
||
Ook gespecialiseerd in beslag leggen |
||
Ook gespecialiseerd in faillissement aanvragen |
||
No cure no pay mogelijk voor incassozaken |
||
Vaste prijs mogelijk voor andere zaken |
||
Online portal |
In een zakelijk geschil met een leverancier heeft het team van e-Legal incasso advocaten mij zeer professioneel ondersteund met juridisch advies. In deze zaak wist ik zelf heel goed wat ik wilde. De adviseur is hierin meegegaan maar wist ook op tijd tegengas te geven. Uiteindelijk heb ik daar mij voordeel mee kunnen doen. Alles opgeteld heb ik een prima ervaring met e-Legal incasso advocaten.
e-Legal incasso advocaten is goed te bereiken, zijn deskundig en vaardig en ik heb de communicatie van informatie inwinnen tot en met het afwikkelen van onze casus als professioneel en resultaatgericht ervaren.
Wat is interne bestuurdersaansprakelijkheid?
Interne bestuurdersaansprakelijkheid is de persoonlijke aansprakelijkheid van een bestuurder tegenover de rechtspersoon waarvan hij de bestuurder is. Het gaat dus om de interne verhouding tussen de bestuurder en bijvoorbeeld de B.V., stichting of vereniging.
De wettelijke grondslag staat in artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek. Daarin is vermeld dat iedere bestuurder tegenover de rechtspersoon verplicht is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak:
'1. Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld.
2. Elke bestuurder draagt verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk terzake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.'
In gewone taal betekent dit: een bestuurder moet het belang van de rechtspersoon zorgvuldig dienen. Hij moet zich informeren, risico’s afwegen, belangenconflicten vermijden, besluiten behoorlijk vastleggen en ingrijpen als het bestuur ontspoort.
Doet hij dat niet, dan kan hij persoonlijk aansprakelijk worden voor de schade die de rechtspersoon daardoor lijdt.
De hoge drempel: niet iedere fout leidt tot interne bestuurdersaansprakelijkheid
Een bestuurder is niet aansprakelijk voor elke verkeerde beslissing. Ondernemen betekent risico nemen. Achteraf is vaak makkelijk te zeggen dat een andere keuze beter was geweest, maar dat is juridisch onvoldoende.
Voor interne bestuurdersaansprakelijkheid is méér nodig dan een fout. Er moet sprake zijn van:
- onbehoorlijke taakvervulling
- schade bij de rechtspersoon
- causaal verband tussen het handelen of nalaten van de bestuurder en die schade
- en vooral: een ernstig verwijt aan de bestuurder
Het criterium van het ernstig verwijt is de kern van interne bestuurdersaansprakelijkheid. Deze lat ligt hoog. De rechter kijkt naar alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de activiteiten, de normale ondernemingsrisico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de beschikbare informatie en de zorgvuldigheid die van een bestuurder mocht worden verwacht.
Staleman/Van de Ven: de belangrijkste uitspraak over artikel 2:9 BW
Het belangrijkste arrest over interne bestuurdersaansprakelijkheid is het arrest van de Hoge Raad inzake Staleman/Van de Ven, HR 10 januari 1997, NJ 1997/360 (ECLI NL HR 1997 ZV2243).
In dit arrest heeft de Hoge Raad bevestigd dat een bestuurder tegenover de rechtspersoon pas aansprakelijk is als hem van de onbehoorlijke taakvervulling een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Daarbij moeten alle omstandigheden van het geval worden meegewogen.
De Hoge Raad zegt het als volgt:
'Zoals het Hof en ook het onderdeel terecht tot uitgangspunt nemen, is voor aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 vereist dat aan de bestuurder een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of in een bepaald geval plaats is voor een ernstig verwijt als hier bedoeld, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico's, de taakverdeling binnen het bestuur, de eventueel voor het bestuur geldende richtlijnen, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.'
Praktisch betekent dit dat een claim tegen een bestuurder zorgvuldig moet worden opgebouwd. Alleen stellen dat een besluit slecht heeft uitgepakt, is niet genoeg. Er moet worden onderbouwd waarom de bestuurder zó onzorgvuldig heeft gehandeld dat persoonlijke aansprakelijkheid gerechtvaardigd is.
Wanneer is sprake van onbehoorlijke taakvervulling?
Onbehoorlijke taakvervulling kan verschillende vormen aannemen. Meestal gaat het om gedrag waarbij de bestuurder het belang van de rechtspersoon ondergeschikt maakt aan andere belangen, onverantwoorde risico’s neemt of interne regels negeert.
Voorbeelden zijn:
- privégebruik van vennootschapsmiddelen
- handelen in strijd met wet, statuten of interne regels
- het naar zichzelf toetrekken van zakelijke kansen van de rechtspersoon
- het verstrekken van onverantwoorde leningen
- het aangaan van risicovolle transacties zonder behoorlijke onderbouwing
- het negeren van waarschuwingen van medebestuurders, accountants of adviseurs
- het onvoldoende toezicht houden op een medebestuurder
- het nemen van besluiten bij een tegenstrijdig belang zonder zorgvuldige procedure
Maar dit soort situaties leidt niet automatisch tot aansprakelijkheid. De vraag blijft steeds of de bestuurder persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Maar dit zijn wel de situaties waarin een claim op grond van artikel 2:9 BW serieus moet worden onderzocht. De bovenvermelde situaties worden hieronder nader toegelicht.
Privégebruik van vennootschapsmiddelen
Een van de duidelijkste vormen van onbehoorlijke taakvervulling is het gebruiken van geld of activa van de rechtspersoon voor privédoeleinden. Denk aan een bestuurder die betalingen laat doen aan zichzelf zonder zakelijke grondslag, bedrijfsmiddelen privé gebruikt, gelden overboekt naar gelieerde partijen of kosten opvoert die niets met de onderneming te maken hebben.
Handelen in strijd met wet, statuten of interne regels
Bestuurders moeten zich houden aan de wet, de statuten en interne besluitvormingsregels. Wie die regels bewust negeert, neemt een groot aansprakelijkheidsrisico. Voorbeelden zijn besluiten waarvoor goedkeuring nodig was, maar die zonder goedkeuring zijn genomen, transacties buiten het statutaire doel, schending van interne bevoegdheidsregelingen of het negeren van een bestuursreglement.
Een formele fout is niet altijd genoeg voor persoonlijke aansprakelijkheid. Maar wanneer een bestuurder bewust of ernstig onzorgvuldig de interne spelregels opzijzet en de rechtspersoon daardoor schade lijdt, kan artikel 2:9 BW in beeld komen.
Zakelijke kansen van de rechtspersoon naar zichzelf toe trekken
Een bestuurder moet het belang van de rechtspersoon dienen. Hij mag zakelijke kansen die aan de rechtspersoon toebehoren niet zonder meer voor zichzelf gebruiken. Dat speelt bijvoorbeeld wanneer een bestuurder een klant, contract, investeringsmogelijkheid, vastgoedkans of overnamekans naar een eigen onderneming doorschuift, terwijl die kans eigenlijk bij de rechtspersoon thuishoorde.
Voor de rechtspersoon kan de schade aanzienlijk zijn: gemiste omzet, gemiste winst, verlies van relaties of aantasting van de ondernemingswaarde. In zulke gevallen draait de discussie vaak om de vraag of de kans daadwerkelijk aan de rechtspersoon toebehoorde, of de bestuurder een tegenstrijdig belang had en of hij openheid van zaken heeft gegeven.
Onverantwoorde leningen en financiële risico’s
Ook het verstrekken van onverantwoorde leningen kan leiden tot interne bestuurdersaansprakelijkheid. Bijvoorbeeld wanneer een bestuurder namens de rechtspersoon geld uitleent aan een partij waarvan duidelijk is dat terugbetaling onzeker is, zonder voldoende zekerheid, onderzoek of zakelijke onderbouwing. Hetzelfde geldt voor andere risicovolle transacties. Een bestuurder mag risico nemen, maar niet blind. Hoe groter het financiële risico, hoe zwaarder de eisen aan onderzoek, documentatie en besluitvorming.
Relevant zijn onder meer:
- was er een zakelijke reden voor de lening of transactie
- is de financiële positie van de wederpartij onderzocht
- zijn zekerheden bedongen
- is advies ingewonnen
- is het besluit zorgvuldig vastgelegd
- was sprake van een tegenstrijdig belang
- zou een redelijk handelend bestuurder dit risico hebben genomen
Afhankelijk van de antwoorden op deze vragen kan de bestuurder mogelijk aansprakelijk worden gehouden.
Het negeren van waarschuwingen van medebestuurders, accountants of adviseurs
Een bestuurder hoeft niet alles zelf te weten. Maar hij mag duidelijke waarschuwingen ook niet negeren.
Interne bestuurdersaansprakelijkheid kan in beeld komen wanneer een bestuurder doorgaat met bepaald beleid, terwijl medebestuurders, accountants, fiscalisten, juristen of andere adviseurs concreet hebben gewaarschuwd voor ernstige risico’s. Denk aan waarschuwingen over liquiditeitsproblemen, ondeugdelijke administratie, onverantwoorde transacties, fiscale risico’s, belangenverstrengeling of dreigende schade voor de rechtspersoon.
Een waarschuwing is juridisch vooral relevant wanneer die voldoende concreet was. Hoe duidelijker het risico is benoemd, hoe moeilijker het voor een bestuurder wordt om later te stellen dat hij van niets wist. Zeker als waarschuwingen schriftelijk zijn vastgelegd, bijvoorbeeld in e-mails, memo’s, accountantsbrieven, managementletters of notulen, kunnen zij zwaar wegen bij de beoordeling of de bestuurder een ernstig verwijt treft.
Dat betekent niet dat een bestuurder elk advies blind moet volgen. Bestuurders mogen een eigen afweging maken. Maar wie afwijkt van serieuze waarschuwingen, moet kunnen uitleggen waarom. Is er nader onderzoek gedaan? Zijn alternatieven onderzocht? Is extern advies ingewonnen? Is het risico besproken binnen het bestuur? En is het besluit zorgvuldig vastgelegd?
Ontbreekt die onderbouwing, dan kan het negeren van waarschuwingen bijdragen aan het oordeel dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling in de zin van artikel 2:9 BW.
Als achteraf blijkt dat een bestuurder al eerder was gewaarschuwd voor financiële problemen of schade voor de rechtspersoon, wordt de bewijspositie sterker. Dan gaat het niet meer alleen om een verkeerd besluit achteraf, maar om het bewust of ernstig onzorgvuldig doorzetten van beleid ondanks bekende risico’s.
Onvoldoende toezicht houden op een medebestuurder
Binnen een meerhoofdig bestuur geldt het uitgangspunt van collegiaal bestuur. Bestuurders hebben vaak hun eigen portefeuille, maar blijven gezamenlijk verantwoordelijk voor de algemene gang van zaken binnen de rechtspersoon. Dit betekent dat een bestuurder niet zonder meer kan zeggen dat iets de verantwoordelijkheid van zijn medebestuurder is.
Een taakverdeling kan relevant zijn, maar ontslaat een bestuurder niet van zijn toezichtplicht. Zeker wanneer er signalen zijn dat een medebestuurder onbehoorlijk handelt, moet de andere bestuurder ingrijpen. Denk aan onverklaarbare geldstromen, ontbrekende financiële informatie, weigering om stukken te delen, structureel verlieslatende transacties, betalingen aan gelieerde partijen of besluiten die buiten het bestuur om worden genomen.
De kernvraag is of de bestuurder heeft gedaan wat redelijkerwijs van hem mocht worden verwacht. Heeft hij vragen gesteld? Heeft hij informatie opgevraagd? Heeft hij bezwaar gemaakt? Heeft hij het onderwerp op de bestuursagenda gezet? Heeft hij aangedrongen op maatregelen? Heeft hij externe controle of advies voorgesteld?
Passief blijven is gevaarlijk. Een bestuurder die rode vlaggen ziet maar niets doet, kan zelf aansprakelijk worden gehouden voor de schade die de rechtspersoon lijdt. Dat geldt vooral wanneer de schade had kunnen worden voorkomen of beperkt als tijdig was ingegrepen.
Voor een beroep op disculpatie moet een bestuurder aantonen dat hem geen ernstig verwijt treft én dat hij niet nalatig is geweest in het nemen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden. Alleen afstand nemen in woorden is meestal onvoldoende. Er moet blijken dat de bestuurder daadwerkelijk heeft geprobeerd schade te voorkomen.
Voor schuldeisers is dit relevant wanneer niet alleen één bestuurder fout lijkt te hebben gehandeld, maar het gehele bestuur heeft weggekeken. Juist bij interne bestuurdersaansprakelijkheid kan dan worden onderzocht of meerdere bestuurders hoofdelijk aansprakelijk zijn tegenover de rechtspersoon.
Besluiten nemen bij een tegenstrijdig belang zonder zorgvuldige procedure
Een bestuurder moet het belang van de rechtspersoon dienen. Dat wordt problematisch wanneer hij bij een besluit een persoonlijk belang heeft dat botst met het belang van de rechtspersoon. Dit wordt tegenstrijdig belang genoemd.
Denk aan een bestuurder die namens de vennootschap een overeenkomst sluit met zijn eigen onderneming, activa verkoopt aan een gelieerde partij, zichzelf een vergoeding toekent, een lening verstrekt aan een bekende of een zakelijke kans doorschuift naar een onderneming waarin hij privé betrokken is.
Een tegenstrijdig belang betekent niet automatisch dat de bestuurder aansprakelijk is. Het betekent wel dat extra zorgvuldigheid vereist is. De bestuurder moet openheid geven over zijn belang, de juiste besluitvormingsprocedure volgen en voorkomen dat hij het belang van de rechtspersoon ondergeschikt maakt aan zijn eigen belang.
Voor B.V.'s en N.V.'s is de tegenstrijdigbelangregeling opgenomen in artikel 2:129 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 2:239 lid 6 van het Burgerlijk Wetboek. Voor stichtingen en verenigingen gelden vergelijkbare normen binnen het rechtspersonenrecht en de algemene bestuurstaak van artikel 2:9 BW. In alle gevallen geldt dat een bestuurder zorgvuldig moet omgaan met belangenverstrengeling.
Gaat een bestuurder ondanks een tegenstrijdig belang toch zelf mee besluiten, zonder transparantie, zonder onafhankelijke beoordeling en zonder behoorlijke vastlegging, dan kan dat zwaar meewegen bij de vraag of hem een ernstig verwijt treft.
Bij interne bestuurdersaansprakelijkheid draait het dan om de schade van de rechtspersoon. Heeft de rechtspersoon te veel betaald? Is bepaalde activa te goedkoop verkocht? Is een kans aan de organisatie onttrokken? Is een onzakelijke lening verstrekt? Of is de besluitvorming zo gekleurd door het privébelang van de bestuurder dat de rechtspersoon aantoonbaar is benadeeld?
Voor de bewijspositie zijn vooral de volgende stukken belangrijk: notulen, bestuursbesluiten, waarderingsrapporten, offertes, interne correspondentie, aandeelhoudersbesluiten, statuten, bestuursreglementen en eventuele adviezen van onafhankelijke deskundigen.
Wanneer vermogen uit de rechtspersoon is verdwenen via transacties met de bestuurder of aan hem gelieerde partijen, kan interne bestuurdersaansprakelijkheid een route zijn om dat vermogen terug te halen naar de rechtspersoon.
Tot zover de toelichting op de bovenvermelde situaties.
Interne bestuurdersaansprakelijkheid bij collegiaal bestuur: bestuurders zijn samen verantwoordelijk
Bij een bestuur met meerdere bestuurders geldt het uitgangspunt van collegiaal bestuur. Het bestuur is als collectief verantwoordelijk voor de algemene gang van zaken binnen de rechtspersoon.
Dat betekent dat niet alleen de bestuurder die direct heeft gehandeld aansprakelijk kan zijn. Ook andere bestuurders kunnen aansprakelijk worden gehouden als zij onvoldoende toezicht hebben gehouden, waarschuwingen hebben genegeerd of niet hebben ingegrepen terwijl zij dat wel hadden moeten doen.
Een taakverdeling binnen het bestuur kan relevant zijn, maar biedt geen volledige bescherming. Een bestuurder met een financiële portefeuille draagt bijvoorbeeld bijzondere verantwoordelijkheid voor de financiële gang van zaken. Maar andere bestuurders mogen duidelijke rode vlaggen niet negeren. Wie in het bestuur zit, moet actief besturen. Niet meekijken vanaf de zijlijn.
Hoofdelijke aansprakelijkheid en disculpatie
Als sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur, kan iedere bestuurder in beginsel hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. Hoofdelijke aansprakelijkheid betekent dat de rechtspersoon de volledige schade bij één bestuurder kan verhalen, waarna bestuurders onderling eventueel verhaal kunnen zoeken.
Een individuele bestuurder kan proberen zich te disculperen. Daarvoor moet hij aantonen dat hem, mede gelet op de taakverdeling, geen ernstig verwijt treft én dat hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.
Dat vraagt om actief handelen. Denk aan bezwaar maken, informatie opvragen, waarschuwen, maatregelen voorstellen, externe hulp inschakelen of in uiterste gevallen aftreden. Alleen achteraf zeggen dat een collega verantwoordelijk was, is meestal onvoldoende.
Beperking tot formele bestuurders
Aansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW geldt in beginsel voor formele bestuurders: bestuurders die statutair zijn benoemd als bestuurder van de rechtspersoon.
Dat maakt interne bestuurdersaansprakelijkheid anders dan sommige andere vormen van aansprakelijkheid, waarbij ook feitelijk beleidsbepalers of derden onder omstandigheden in beeld kunnen komen.
Voor een claim op grond van artikel 2:9 BW moet dus eerst worden vastgesteld wie formeel bestuurder was in de relevante periode. Daarbij zijn de statuten, benoemingsbesluiten en inschrijving in het handelsregister belangrijke aanknopingspunten.
Stelplicht en bewijslast: de feiten moeten kloppen
De rechtspersoon die een bestuurder intern aansprakelijk stelt, draagt in beginsel de stelplicht en bewijslast. Zij moet aantonen:
- welke bestuurstaak onbehoorlijk is vervuld
- welke bestuurder daarvoor verantwoordelijk was
- waarom sprake is van een ernstig verwijt
- welke schade daardoor is ontstaan
- en dat er causaal verband bestaat tussen het handelen of nalaten en de schade
In de praktijk staat of valt een vordering met bewijs. Relevante stukken zijn onder meer bestuursbesluiten, notulen, e-mails, financiële administratie, bankafschriften, contracten, interne memo’s, accountantsrapporten, adviezen en waarschuwingen.
Wie een bestuurder intern aansprakelijk wil stellen, moet de besluitvorming reconstrueren. Wat wist de bestuurder? Wanneer wist hij dat? Welke alternatieven waren beschikbaar? Welke waarschuwingen zijn genegeerd? En waarom was het handelen onaanvaardbaar vanuit het perspectief van een redelijk handelend bestuurder?
Geen klachtplicht bij interne bestuurdersaansprakelijkheid
Bij interne bestuurdersaansprakelijkheid geldt volgens de rechtspraak geen gewone klachtplicht zoals bij veel andere soorten geschillen. Dat betekent dat de rechtspersoon haar vordering niet zonder meer verliest doordat zij niet direct na ontdekking heeft geklaagd.
Dat neemt niet weg dat stilzitten riskant kan zijn. Bewijs kan verdwijnen, bestuurders kunnen vertrekken, administratie kan onvolledig raken en verhaalsmogelijkheden kunnen verslechteren.
Voor een sterke zaak is snelheid daarom vaak doorslaggevend.
Wat betekent interne bestuurdersaansprakelijkheid voor schuldeisers?
Voor schuldeisers is dit een belangrijk, maar scherp afgebakend onderwerp. Interne bestuurdersaansprakelijkheid geeft een schuldeiser in beginsel geen directe vordering op de bestuurder. De claim op grond van artikel 2:9 BW behoort toe aan de rechtspersoon zelf.
Toch kan interne bestuurdersaansprakelijkheid voor schuldeisers relevant zijn. Als de rechtspersoon schade heeft geleden door onbehoorlijk bestuur, kan een vordering op de bestuurder vermogen terugbrengen in de rechtspersoon. Dat vermogen kan vervolgens beschikbaar komen voor schuldeisers. Zeker bij een lege vennootschap, een conflict tussen aandeelhouders of een faillissement kan dit een belangrijk spoor zijn.
Voor schuldeisers is de praktische vraag daarom niet alleen: kan ik de bestuurder rechtstreeks aanspreken? Maar ook: is er schade toegebracht aan de rechtspersoon zelf, en kan die schade worden teruggehaald via artikel 2:9 BW?
Die analyse kan van belang zijn bij overleg met de vennootschap, aandeelhouders, een curator of andere betrokkenen.
Waarom interne bestuurdersaansprakelijkheid vaak strategisch belangrijk is
Een bestuurder die persoonlijk wordt aangesproken door de eigen rechtspersoon staat onder druk. Het gaat niet meer alleen om een zakelijk conflict. Het gaat om persoonlijk handelen, persoonlijke verwijtbaarheid en persoonlijk financieel risico.
Dat maakt interne bestuurdersaansprakelijkheid strategisch relevant bij onder meer aandeelhoudersgeschillen, bestuurdersconflicten, faillissementen, fraudeonderzoeken, geschillen binnen stichtingen en verenigingen en situaties waarin vermogen uit de rechtspersoon lijkt te zijn verdwenen.
Een goed onderbouwde claim op grond van artikel 2:9 BW kan leiden tot een schadevergoeding ten gunste van de rechtspersoon.
Praktische checklist bij interne bestuurdersaansprakelijkheid
Bij een mogelijke claim op grond van artikel 2:9 BW moet niet alleen worden beoordeeld of een bestuurder zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld. Minstens zo belangrijk is of de rechtspersoon daadwerkelijk schade heeft geleden, of die schade juridisch aan de bestuurder kan worden toegerekend en of er verweren zijn die de aansprakelijkheid beperken.
Een sterke claim begint daarom met de volgende 20 vragen:
1. Wie was formeel bestuurder in de relevante periode?
Interne bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artikel 2:9 BW ziet in beginsel op formele, statutair benoemde bestuurders. Daarom moet eerst worden vastgesteld wie bestuurder was op het moment waarop het verwijtbare handelen of nalaten plaatsvond. Daarvoor zijn onder meer relevant: de statuten, benoemingsbesluiten, aandeelhoudersbesluiten, bestuursbesluiten en de inschrijving bij de Kamer van Koophandel.
2. Welke concrete bestuurstaak is onbehoorlijk vervuld?
Een claim wordt sterker wanneer precies kan worden aangewezen welke bestuurstaak is geschonden. Ging het om financieel beheer, toezicht op de administratie, naleving van statuten, het voorkomen van belangenverstrengeling, risicobeheersing, contractuele besluitvorming of toezicht op een medebestuurder? Een algemene stelling dat “slecht bestuur” is gevoerd, is meestal onvoldoende. De onbehoorlijke taakvervulling moet concreet worden gemaakt.
3. Welk handelen of nalaten wordt de bestuurder verweten?
Bij aansprakelijkheid moet duidelijk zijn welk gedrag tot de schade heeft geleid. Dat kan actief handelen zijn, zoals het doen van privéonttrekkingen of het aangaan van een onverantwoorde transactie. Het kan ook nalaten zijn, zoals niet ingrijpen bij misstanden, geen toezicht houden of waarschuwingen negeren. Deze vraag is belangrijk voor het causaal verband: zonder concreet verwijtbaar handelen of nalaten is moeilijk vast te stellen waardoor de schade is ontstaan.
4. Waarom treft de bestuurder een ernstig verwijt?
Voor interne bestuurdersaansprakelijkheid is niet iedere fout genoeg. De bestuurder moet een ernstig verwijt kunnen worden gemaakt. Daarbij wordt gekeken naar alle omstandigheden van het geval, zoals de aard van de rechtspersoon, de risico’s van de activiteiten, de taakverdeling binnen het bestuur, de beschikbare informatie en de zorgvuldigheid die van een bestuurder mocht worden verwacht. Het ernstig verwijt vormt de brug tussen een 'gewone bestuursfout' en persoonlijke aansprakelijkheid.
5. Was sprake van een taakverdeling binnen het bestuur?
Een taakverdeling kan relevant zijn bij de beoordeling van aansprakelijkheid. Een bestuurder met een financiële portefeuille draagt bijvoorbeeld meer verantwoordelijkheid voor financiële administratie, liquiditeit en betalingsstromen. Maar een taakverdeling is geen vrijbrief. Ook bestuurders buiten een specifieke portefeuille moeten ingrijpen bij duidelijke signalen van onbehoorlijk bestuur. De vraag is daarom of de bestuurder, gelet op zijn rol, voldoende toezicht heeft gehouden en tijdig heeft gehandeld.
6. Zijn statuten, bestuursreglementen of interne procedures geschonden?
Schending van statuten, bestuursreglementen of interne goedkeuringsprocedures kan een belangrijke aanwijzing zijn voor onbehoorlijke taakvervulling. Denk aan besluiten die zonder vereiste goedkeuring zijn genomen, transacties buiten het statutaire doel, onbevoegde betalingen, onjuiste besluitvorming of het negeren van interne controlemechanismen.
7. Zijn waarschuwingen of adviezen genegeerd?
Waarschuwingen van medebestuurders, accountants, juristen, fiscalisten of andere adviseurs kunnen zwaar wegen. Zeker wanneer een bestuurder ondanks concrete waarschuwingen doorgaat met risicovol beleid, wordt het moeilijker om te stellen dat hij zorgvuldig heeft gehandeld. Belangrijke vragen zijn: hoe concreet was de waarschuwing, wanneer is die gegeven, wie heeft die ontvangen en wat heeft de bestuurder ermee gedaan?
8. Was sprake van een tegenstrijdig belang?
Een tegenstrijdig belang kan een ernstige rode vlag zijn. Bijvoorbeeld wanneer een bestuurder namens de rechtspersoon handelt met zichzelf, met een gelieerde vennootschap of met een partij waarbij hij privébelang heeft. Bij een tegenstrijdig belang moet de bestuurder transparant zijn, de juiste besluitvormingsprocedure volgen en het belang van de rechtspersoon vooropstellen. Wordt die zorgvuldigheid genegeerd, dan kan dit bijdragen aan het oordeel dat sprake is van een ernstig verwijt.
9. Welke schade heeft de rechtspersoon geleden?
Aansprakelijkheid zonder schade levert in beginsel geen schadevergoeding op. Daarom moet worden vastgesteld welke vermogensschade de rechtspersoon heeft geleden.
Op grond van artikel 6:95 van het Burgerlijk Wetboek komt schade voor vergoeding in aanmerking voor zover de wet daarop recht geeft. Artikel 6:96 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat vermogensschade onder meer kan bestaan uit geleden verlies, gederfde winst en redelijke kosten ter voorkoming, beperking of vaststelling van schade en aansprakelijkheid.
Bij interne bestuurdersaansprakelijkheid kan schade bijvoorbeeld bestaan uit:
- onttrokken vennootschapsvermogen
- te veel betaalde bedragen bij onzakelijke transacties
- gemiste winst door het wegtrekken van zakelijke kansen
- waardevermindering van activa
- onnodige boetes of fiscale schade
- kosten van herstelonderzoek, accountantsrapporten of juridische bijstand
- schade door het aangaan van onverantwoorde verplichtingen
10. Is de schade voldoende concreet onderbouwd?
De schade moet zo concreet mogelijk worden berekend en onderbouwd. Dat vraagt om financiële stukken, bankafschriften, contracten, waarderingsrapporten, jaarrekeningen, offertes, correspondentie en eventueel deskundigenrapporten.
Als de exacte omvang van de schade nog niet vaststaat, kan onder omstandigheden verwijzing naar een schadestaatprocedure aan de orde zijn. Voor de processtrategie is wel van belang dat aannemelijk wordt gemaakt dát schade is geleden.
11. Bestaat er causaal verband tussen het handelen van de bestuurder en de schade?
De rechtspersoon moet aantonen dat de schade is veroorzaakt door het onbehoorlijke handelen of nalaten van de bestuurder. Dit is de feitelijke causaliteitsvraag: zou de schade ook zijn ontstaan als de bestuurder wél behoorlijk had gehandeld?
Voorbeelden:
- Was de schade voorkomen als de bestuurder de statuten had gevolgd?
- Was de lening niet verstrekt als behoorlijk onderzoek was gedaan?
- Was de zakelijke kans bij de rechtspersoon gebleven als de bestuurder zijn privébelang had gemeld?
- Was de schade beperkt als tijdig was ingegrepen na waarschuwingen?
Zonder voldoende causaal verband blijft een claim kwetsbaar, ook als het bestuurdersgedrag op zichzelf verwijtbaar was.
12. Kan de schade juridisch aan de bestuurder worden toegerekend?
Naast feitelijke causaliteit speelt de juridische toerekening van schade. Op grond van artikel 6:98 van het Burgerlijk Wetboek komt alleen schade voor vergoeding in aanmerking die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid berust, dat zij de bestuurder mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade als gevolg daarvan kan worden toegerekend.
In gewone taal: niet elke schade die ergens in de keten is ontstaan, hoeft voor rekening van de bestuurder te komen. De schade moet voldoende verband houden met het verwijtbare bestuurdersgedrag.
Relevante vragen zijn:
- Was deze schade een voorzienbaar gevolg van het handelen van de bestuurder?
- Past deze schade binnen het risico dat door het onbehoorlijke bestuur is veroorzaakt?
- Is de schade te ver verwijderd van het verwijt?
- Zijn er andere oorzaken die de schade verklaren?
- Is de schade mede veroorzaakt door marktomstandigheden, externe factoren of keuzes van anderen?
13. Zijn er meerdere oorzaken van de schade?
Schade ontstaat vaak niet door één gebeurtenis. Er kunnen meerdere oorzaken zijn: slecht bestuur, marktomstandigheden, handelen van medebestuurders, fouten van adviseurs, economische tegenwind of eigen keuzes van de rechtspersoon. Dat betekent niet automatisch dat aansprakelijkheid ontbreekt. Wel moet worden onderzocht welk deel van de schade aan de bestuurder kan worden toegerekend.
Als meerdere personen aansprakelijk zijn voor dezelfde schade, kan artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek relevant zijn. Die bepaling regelt hoofdelijke verbondenheid wanneer op meerdere personen een verplichting tot vergoeding van dezelfde schade rust.
14. Is sprake van eigen schuld of schadebeperkingsplicht?
Ook bij interne bestuurdersaansprakelijkheid kunnen algemene leerstukken uit Boek 6 BW een rol spelen. Op grond van artikel 6:101 van het Burgerlijk Wetboek kan de schadevergoedingsplicht worden verminderd wanneer de schade mede het gevolg is van omstandigheden die aan de benadeelde kunnen worden toegerekend. Bij een rechtspersoon kan dit bijvoorbeeld spelen wanneer andere organen, medebestuurders of toezichthouders hebben bijgedragen aan het ontstaan of voortduren van de schade.
Daarnaast is relevant of voldoende is gedaan om schade te beperken nadat het probleem bekend werd. Heeft de rechtspersoon tijdig ingegrepen, betalingen gestopt, activa veiliggesteld of onderzoek laten doen?
15. Welke kosten kunnen worden gevorderd?
Naast de directe schade kunnen ook bepaalde kosten voor vergoeding in aanmerking komen. Artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek noemt onder meer redelijke kosten ter voorkoming of beperking van schade, redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid en redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte.
Bij interne bestuurdersaansprakelijkheid kan het gaan om kosten van een accountantsonderzoek, forensisch onderzoek, waarderingsrapport, juridisch advies of buitengerechtelijke aansprakelijkstelling.
Wel geldt dat deze kosten redelijk moeten zijn, zowel wat betreft het maken van de kosten als de hoogte daarvan.
16. Is wettelijke rente verschuldigd?
Als een bestuurder schadevergoeding verschuldigd is, kan ook wettelijke rente aan de orde zijn. De wettelijke rente is geregeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek voor niet-handelstransacties. Vanaf welk moment rente verschuldigd is, hangt af van het intreden van verzuim en de aard van de verplichting tot schadevergoeding. Bij schadevergoeding uit aansprakelijkheid is vaak discussie mogelijk over de ingangsdatum. Daarom moet in de dagvaarding zorgvuldig worden geformuleerd vanaf welk moment rente wordt gevorderd.
17. Is de bestuurder in verzuim of is verzuim niet vereist?
Bij schadevergoeding kan de vraag spelen of verzuim vereist is. In sommige gevallen treedt verzuim in zonder ingebrekestelling, bijvoorbeeld in situaties genoemd in artikel 6:83 van het Burgerlijk Wetboek. Bij aansprakelijkheid wegens onrechtmatig of onbehoorlijk handelen kan de schadevergoedingsverplichting onder omstandigheden direct opeisbaar zijn. Voor de procespositie blijft het verstandig om de bestuurder duidelijk aansprakelijk te stellen en eerst tot betaling van de schadevergoeding te sommeren.
18. Welke stukken ondersteunen de claim?
Een claim op grond van artikel 2:9 BW staat of valt met bewijs. Belangrijke stukken zijn onder meer:
- statuten
- bestuursreglementen
- benoemingsbesluiten
- notulen
- bestuursbesluiten
- e-mails
- interne memo’s
- accountantsbrieven
- managementletters
- bankafschriften
- jaarrekeningen
- contracten
- facturen
- waarderingsrapporten
- adviesrapporten
- correspondentie met derden
- bewijs van waarschuwingen
- bewijs van schade en schadeberekening
Zonder dossier is zelfs een inhoudelijk sterke claim lastig te bewijzen.
19. Kan de bestuurder zich disculperen?
Bij een meerhoofdig bestuur kan een bestuurder proberen zich te disculperen. Daarvoor moet hij aantonen dat hem geen ernstig verwijt treft en dat hij niet nalatig is geweest in het nemen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden (zie hierboven).
Relevante vragen zijn:
- Heeft de bestuurder bezwaar gemaakt?
- Heeft hij informatie opgevraagd?
- Heeft hij gewaarschuwd?Heeft hij geprobeerd het besluit tegen te houden?
- Heeft hij aangedrongen op onderzoek of extern advies?
- Heeft hij maatregelen genomen om schade te beperken?
- Heeft hij zijn bezwaren schriftelijk vastgelegd?
- Was aftreden redelijkerwijs noodzakelijk?
Een bestuurder die niets heeft gedaan, staat zwak. Een bestuurder die aantoonbaar heeft geprobeerd schade te voorkomen, heeft een sterker verweer.
20. Is verhaal op de bestuurder mogelijk?
Een juridisch kansrijke claim is niet altijd economisch zinvol. Daarom moet ook worden onderzocht of verhaal op de bestuurder mogelijk is.
Heeft de bestuurder privévermogen? Is er een bestuurdersaansprakelijkheidsverzekering? Zijn er vrijwaringen, dechargebesluiten of contractuele beperkingen? Is conservatoir beslag nodig om verhaal veilig te stellen? Deze vraag is niet alleen juridisch, maar vooral strategisch. Een aansprakelijkstelling kan druk zetten, maar levert niet altijd daadwerkelijk betaling op. Laat daarom eerst een verhaalsonderzoek uitvoeren.
Interne bestuurdersaansprakelijkheid laten beoordelen
Interne bestuurdersaansprakelijkheid is geen standaardclaim (en kan daarom niet als standaard incassozaak op no cure no pay basis worden behandeld). De drempel ligt hoog en de feiten moeten nauwkeurig worden onderbouwd. Maar wanneer een bestuurder het vermogen van de rechtspersoon heeft misbruikt, interne regels heeft genegeerd, zakelijke kansen heeft weggenomen of onverantwoorde risico’s heeft genomen, kan persoonlijke aansprakelijkheid wel degelijk aan de orde zijn.
Wij kunnen onderzoeken of sprake is van onbehoorlijke taakvervulling, een ernstig verwijt en voldoende bewijs voor een claim op grond van artikel 2:9 BW.
Wilt u weten of interne bestuurdersaansprakelijkheid kansrijk is? Neem vrijblijvend contact met ons op voor een scherpe beoordeling van uw zaak.
e-Legal
Andere ondernemingsrecht advocaten