Kostenbeding advocaat: declaratie vervalt niet automatisch zonder kostenraming
Een advocaat die een particuliere cliënt alleen zijn uurtarief doorgeeft, verstrekt onvoldoende informatie over de te verwachten kosten. Dat betekent echter niet automatisch dat de prijsafspraak oneerlijk is en de volledige declaratie vervalt.
Dat volgt uit een arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 juli 2026. De kantonrechter had de vergoeding voor de juridische werkzaamheden volledig afgewezen. Het hof kwam tot een andere uitkomst en wees de declaratie alsnog toe.
De uitspraak is rechtstreeks relevant voor advocaten die particuliere cliënten bijstaan. De onderliggende regels kunnen ook van belang zijn voor andere professionele dienstverleners die op basis van een uurtarief of een andere vooraf niet vaststaande vergoeding voor consumenten werken.
Deze uitspraak zaak wordt hieronder besproken, waarbij ook wordt ingegaan op enkele uitspraken van andere gerechtshoven die recent anders oordeelden.
Advocaat noemde alleen het uurtarief
Een consument schakelde een advocatenkantoor in vanwege een geschil over de zorgregeling voor zijn dochter. Mogelijk kwam hij in aanmerking voor gefinancierde rechtsbijstand. Voor het geval geen toevoeging zou worden verstrekt, nam het advocatenkantoor in de opdrachtbevestiging een uurtarief op van € 205 exclusief btw. De consument ontving vooraf geen inschatting van:
- het aantal te besteden uren
- de totale te verwachten kosten
- de minimale kosten van de juridische bijstand
- de momenten waarop hij een tussentijds kostenoverzicht zou ontvangen
Nadat de toevoeging was afgewezen, bracht het advocatenkantoor voor € 1.763 aan werkzaamheden in rekening. De consument betwistte de declaraties niet, vroeg om een betalingsregeling en deed verschillende betalingstoezeggingen. Betaling bleef uiteindelijk uit. Het advocatenkantoor startte daarop een gerechtelijke procedure om de openstaande declaratie te incasseren.
Ook zonder verweer moet de rechter het kostenbeding toetsen
De consument verscheen niet bij de kantonrechter. Ook in hoger beroep liet hij verstek gaan. Dat betekent echter niet dat de rechter de vordering zonder meer kan toewijzen. Wanneer een professionele partij – de wet spreekt over de handelaar – een gerechtelijke procedure tegen een consument voert, moet de rechter ambtshalve onderzoeken of de overeenkomst oneerlijke bedingen bevat. Deze verplichting geldt dus ook wanneer de consument geen verweer voert.
De rechter moet onder meer beoordelen of een prijs- of kostenbeding voldoet aan Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten. Naar Nederlands recht vindt die beoordeling onder meer plaats aan de hand van artikel 6:233 van het Burgerlijk Wetboek.
Deze ambtshalve toetsing is ook relevant voor andere informatieplichten bij consumenten. Een vordering die contractueel goed onderbouwd lijkt, kan alsnog geheel of gedeeltelijk worden afgewezen wanneer de overeenkomst niet aan het consumentenrecht voldoet.
Kantonrechter wijst vergoeding voor werkzaamheden volledig af
De kantonrechter oordeelde eerder dat het kostenbeding niet transparant was. Alleen het noemen van een uurtarief stelde de consument niet in staat om vooraf de financiële gevolgen van de opdracht te overzien.
Dat oordeel sloot aan bij het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 12 januari 2023, ECLI:EU:C:2023:14. Daaruit volgt dat een advocaat de consument informatie moet geven waarmee deze de totale kosten van de dienstverlening bij benadering kan ramen. Een exacte voorspelling is niet vereist, maar alleen een uurtarief noemen is in beginsel onvoldoende.
De kantonrechter ging vervolgens een stap verder. Volgens de kantonrechter was het kostenbeding ook oneerlijk, omdat:
- het advocatenkantoor zonder vooraf bepaalde begrenzing kon declareren
- iedere inschatting van de kosten en tijdsbesteding ontbrak
- bij het aangaan van de opdracht nog onzeker was of de toevoeging zou worden verleend
- de advocaat niet had voldaan aan de verplichting om de cliënt zo goed mogelijk over de financiële gevolgen te informeren
De kantonrechter vernietigde het kostenbeding. Omdat de overeenkomst volgens de kantonrechter zonder afspraak over het loon niet kon voortbestaan, hoefde de consument niets te betalen voor de juridische werkzaamheden.
Alleen de door het advocatenkantoor voorgeschoten kosten voor het griffierecht en een geboorteakte werden toegewezen. De vergoeding voor de werkzaamheden werd integraal afgewezen. Lees hiervoor het vonnis van de Rechtbank Rotterdam van 13 februari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1844.
Hof Den Haag: niet-transparant is nog niet oneerlijk
Het advocatenkantoor ging in hoger beroep. Het gerechtshof onderschreef dat de consument vooraf onvoldoende over de totale kosten was geïnformeerd. Het kostenbeding voldeed dus niet aan het transparantievereiste. Het hof verbond daaraan echter niet automatisch de conclusie dat het beding oneerlijk was.
Een niet-transparant kostenbeding kan pas worden vernietigd wanneer daarnaast blijkt dat het beding, in strijd met de goede trouw, het contractuele evenwicht aanzienlijk ten nadele van de consument verstoort. Dat vergt een afzonderlijke en inhoudelijke beoordeling van alle omstandigheden van het geval. Het enkele ontbreken van een kostenraming is daarvoor niet altijd voldoende.
In het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 14 juli 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:2248 oordeelde het hof dat van een aanzienlijke verstoring van het evenwicht niet was gebleken. De Rechtspraak publiceerde een nieuwsbericht over het Haagse arrest.
Vergelijking met het redelijk loon
Voor de beoordeling van de oneerlijkheid vergeleek het hof de overeengekomen prijsafspraak met de rechtspositie van de consument wanneer partijen geen uurtarief zouden hebben afgesproken.
Op grond van artikel 7:405 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek moet een opdrachtgever bij gebreke van een prijsafspraak in beginsel het gebruikelijke loon of een redelijk loon betalen.
Het overeengekomen tarief van € 248,05 inclusief btw was volgens het hof, gelet op de aard van de zaak en de uitgevoerde werkzaamheden, niet onredelijk hoog. De consument kwam door de prijsafspraak daarom niet aantoonbaar in een wezenlijk slechtere positie terecht dan zonder het kostenbeding.
Verder waren er geen aanwijzingen dat:
- het advocatenkantoor misleidende informatie over de kosten had gegeven
- een onjuist kostenplafond was gesuggereerd
- de consument bij een globale kostenraming van de opdracht zou hebben afgezien
- andere afspraken de financiële risico’s onverwacht bij de consument legden
De schending van de transparantieverplichting en mogelijk ook Regel 17 van de Gedragsregels advocatuur maakte het kostenbeding daarom nog niet oneerlijk. Het hof wees alsnog de volledige hoofdsom van € 1.763 en ruim € 264 aan buitengerechtelijke incassokosten toe, vermeerderd met wettelijke rente.
De Hoge Raad verlangt een beoordeling van het volledige contractuele evenwicht
Het gerechtshof baseert zijn beoordeling mede op het Euribor-arrest van de Hoge Raad van 22 november 2019, ECLI:NL:HR:2019:1830.
Volgens de Hoge Raad moet bij de beoordeling van een mogelijk oneerlijk beding onder meer worden gekeken naar:
- alle omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst
- de overige contractuele bedingen
- het cumulatieve effect van de overeenkomst
- de rechtspositie die zonder het beding op grond van het Nederlandse recht zou gelden
- de vraag of de handelaar redelijkerwijs mocht verwachten dat de consument het beding na eerlijke en individuele onderhandelingen zou hebben aanvaard
Een rechter mag een beding dus niet geïsoleerd beoordelen. Ook eventuele rechten of waarborgen die een nadeel voor de consument compenseren, moeten in de beoordeling worden betrokken.
De Hoge Raad bevestigde bovendien dat een gebrek aan transparantie zwaar kan wegen en zelfs beslissend kan zijn. Het enkele transparantiegebrek leidt echter niet zonder meer tot de conclusie dat het beding oneerlijk is. De Hoge Raad heeft deze hoofdlijnen ook in een toelichting op het Euribor-arrest uiteengezet.
Waarom werden andere kostenbedingen wel oneerlijk verklaard?
Hof Den Haag verwijst in zijn uitspraak naar drie arresten waarin gerechtshoven wel oordeelden dat een kostenbeding oneerlijk was. Deze uitspraken hanteren in hoofdlijnen dezelfde juridische maatstaf. De feitelijke omstandigheden waren echter duidelijk anders.

Onduidelijke tarieven en geen tussentijdse controle
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden beoordeelde een langdurige medische aansprakelijkheidszaak. De financiële afspraken waren ingewikkeld en maakten onvoldoende duidelijk welk gedeelte van de kosten uiteindelijk voor rekening van de cliënt zou blijven. Het advocatenkantoor gebruikte verschillende tarieven, gaf geen globale kosteninschatting en stuurde gedurende een lange periode geen tussentijdse declaraties. De cliënt had bovendien herhaaldelijk aangegeven dat hij de kosten wilde beheersen. Volgens het hof was de cliënt daardoor feitelijk overgeleverd aan de declaratiemethode van het advocatenkantoor. Het kostenbeding was niet alleen niet-transparant, maar ook oneerlijk. De gevorderde vergoeding werd sterk beperkt. Zie het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6225.
Voorschot wekte verkeerde indruk over totale kosten
In een arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch had een advocatenkantoor naast het uurtarief een voorschot van ongeveer € 1.200 genoemd. In de opdrachtbevestiging stond dat een eventueel ongebruikt gedeelte van het voorschot zou worden terugbetaald. Zonder aanvullende kostenraming kon daardoor de indruk ontstaan dat het voorschot de werkzaamheden mogelijk grotendeels of geheel zou dekken. De uiteindelijke declaraties vielen aanzienlijk hoger uit. Het hof oordeelde dat de mededeling over het voorschot de consument ertoe kon hebben gebracht de opdracht te verstrekken. Het kostenbeding was daarom in strijd met de goede trouw en oneerlijk. De overeenkomst kon volgens het hof zonder het prijsbeding niet voortbestaan. Het advocatenkantoor moest het reeds betaalde bedrag van € 1.410 terugbetalen. Zie het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 25 maart 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:822.
Incassobureau presenteerde volledige dienstverlening als no cure no pay
De derde zaak betrof geen advocatenkantoor, maar een incassobureau. Dit incassobureau presenteerde haar volledige dienstverlening als no cure no pay. Uit de algemene voorwaarden volgde echter dat de consument bij een gerechtelijke procedure alsnog met verschillende kosten, uurtarieven en procesrisico’s kon worden geconfronteerd. Het Gerechtshof Amsterdam oordeelde dat de marketinguitingen en de werkelijke kostenverdeling niet op elkaar aansloten. Het incassobureau liep na het starten van de gerechtelijke procedure nauwelijks nog financieel risico, terwijl een groot deel van dat risico zonder duidelijke waarschuwing bij de consument terechtkwam. De kostenbedingen waren daarom oneerlijk. De overeenkomst verviel en het incassobureau moest het ontvangen bedrag terugbetalen. Zie het arrest van het Gerechtshof Amsterdam van 8 april 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:954.
Wat maakte de zaak bij Hof Den Haag anders?
Ook in de Haagse zaak ontbrak een kostenraming. Het verschil was dat geen aanvullende omstandigheden waren vastgesteld die de prijsafspraak ook inhoudelijk oneerlijk maakten. Daar kwam bij dat het tarief niet onredelijk hoog was en het hof niet kon vaststellen dat de consument bij een goede kostenraming van de opdracht zou hebben afgezien.
De uitspraken zijn daarom niet zonder meer tegenstrijdig. De algemene juridische maatstaf is vergelijkbaar, maar de omstandigheden waaronder de kostenbedingen werden overeengekomen verschilden wezenlijk.
Wat betekent dit voor advocaten en andere dienstverleners?
De uitspraak biedt geen vrijbrief om alleen een uurtarief in een opdrachtbevestiging op te nemen. Een consument moet vóór het sluiten van de overeenkomst voldoende informatie ontvangen om de totale financiële gevolgen bij benadering te kunnen beoordelen. Afhankelijk van de dienstverlening kan daarbij worden gedacht aan:
- een raming van het voorzienbare aantal uren
- een indicatie van de minimale kosten
- een onderverdeling naar te verwachten werkzaamheden of fasen van een gerechtelijke procedure
- concrete afspraken over tussentijdse declaraties
- een waarschuwing wanneer de oorspronkelijke kostenraming wordt overschreden
- informatie over bijkomende kosten en procesrisico’s
Wanneer deze informatie ontbreekt, ontstaat een serieus risico voor de afdwingbaarheid van de factuur. Of de prijsafspraak uiteindelijk ook oneerlijk is, hangt echter mede af van de inhoud van de overeenkomst, de gewekte verwachtingen, de redelijkheid van het tarief en de concrete benadeling van de consument.
Wanneer is het verstandig om juridisch advies in te winnen?
Het is verstandig om juridisch advies in te winnen wanneer:
- een consument betaling weigert met een beroep op een oneerlijk kostenbeding
- terugbetaling van reeds betaalde facturen wordt gevorderd
- u twijfelt over de juridische houdbaarheid van uw kostenbeding en tijdig advies wilt inwinnen, omdat dit tijdens een lopende gerechtelijke procedure vaak te laat kan zijn
- u overweegt een particuliere klant te dagvaarden terwijl het kostenbeding rammelt
- wordt overwogen om hoger beroep in te stellen
Neem gerust contact met ons op voor een eerste beoordeling en bel ons om uw situatie te bespreken. Juist in dit soort kwesties kan een tijdige en goed onderbouwde beslissing het verschil maken tussen het succesvol incasseren van een openstaande factuur op een particulier en het uiteindelijk moeten afboeken daarvan.
Wij denken graag met u mee over de beste aanpak, beoordelen uw kansen en helpen u om direct de juiste stappen te zetten.
Wanneer vervalt een factuur door een oneerlijk kostenbeding?
Uit de besproken rechtspraak blijkt dat een ontbrekende kostenraming niet automatisch betekent dat de volledige factuur vervalt. Eerst moet worden beoordeeld of het kostenbeding onvoldoende transparant is. Daarna volgt de afzonderlijke vraag of het beding ook oneerlijk is en de consument daardoor aanzienlijk wordt benadeeld.
Onderstaand beslisschema geeft een eerste indruk van de juridische toets die de rechter toepast. Daarbij blijft het volledige feitencomplex bepalend. Niet alleen de formulering van de prijsafspraak telt, maar ook de informatie die vooraf is verstrekt, de gewekte verwachtingen, de hoogte van het tarief en de verdeling van de financiële risico’s.

Bel ons op 010 - 820 028 4
Of laat ons u vrijblijvend terugbellen door hieronder uw contactgegevens in te vullen. Dan bellen wij u zodra het u uitkomt. Dit is praktisch als u contact wilt opnemen buiten onze openingstijden.
Veelgestelde vragen over kostenbedingen van advocaten
Hieronder worden veelgestelde vragen beantwoord over kostenbedingen van advocaten.
Is alleen het noemen van een uurtarief voldoende?
In beginsel niet. De consument moet vóór het sluiten van de overeenkomst voldoende informatie ontvangen om de totale kosten bij benadering te kunnen inschatten. Dat kan bijvoorbeeld met een urenraming, een kostenindicatie of concrete afspraken over periodieke urenspecificaties.
Moet de rechter een kostenbeding ook toetsen wanneer de consument niet verschijnt?
Ja. De rechter moet in een gerechtelijke procedure tegen een consument ambtshalve onderzoeken of toepasselijke bedingen oneerlijk zijn. Dat geldt ook in een verstekzaak waarin de consument geen verweer voert.
Is ieder niet-transparant kostenbeding automatisch oneerlijk?
Nee. Niet-transparantie betekent dat de rechter het kostenbeding inhoudelijk op oneerlijkheid kan toetsen. Vervolgens moet afzonderlijk worden vastgesteld of het beding, in strijd met de goede trouw, het contractuele evenwicht aanzienlijk ten nadele van de consument verstoort.
Wat gebeurt er wanneer een kostenbeding wel oneerlijk is?
Het oneerlijke beding moet in beginsel buiten toepassing blijven of worden vernietigd. Wanneer de overeenkomst zonder het prijsbeding niet kan voortbestaan, kan dit ertoe leiden dat de volledige overeenkomst vervalt. De dienstverlener kan dan zijn aanspraak op betaling verliezen en loopt het risico al ontvangen bedragen te moeten terugbetalen.
Kan de rechter na vernietiging alsnog een redelijk loon toewijzen?
Dat is niet vanzelfsprekend. Artikel 7:405 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek kan worden gebruikt als vergelijkingsmaatstaf bij de vraag of een beding oneerlijk is. Na vernietiging van een oneerlijk beding mag de rechter dit beding echter niet zonder meer vervangen door een zelf geraamde redelijke vergoeding.
Gelden deze regels alleen voor advocaten?
Nee. De regels over oneerlijke bedingen gelden in beginsel voor handelaren en professionele dienstverleners die overeenkomsten met consumenten sluiten. De exacte informatie die moet worden verstrekt, hangt af van de aard van de dienst en de manier waarop de vergoeding wordt berekend.